![]() |
| Spielen Sie die Video Slots von 888.com und erhalten Sie einen tollen Casino Bonus. |
|
Impasse: Depressie en Grootheidswaan. Alice Miller brengt de uitingen van narcistische storing onder in twee
categorieen, namelijk grootheidswaan en depressie. Iemand die zijn eigen
bodem kwijt is geraakt door een verregaande aanpassing in de kindertijd,
blijft onverzadigbaar zoeken naar bewondering. De narcist wordt zijn eigen
wereld en gelooft dat hij de hele
wereld is. Deze bewondering is nooit voldoende omdat bewondering niet
hetzelfde is als liefde. Mensen met grootheidswaan leven in een marteldende
afhankelijkheid; daardoor zijn zij nooit vrij. Enerzijds zijn zij enorm
afhankelijk van de bewondering van anderen; anderzijds zijn ze afhankelijk
van eigenschappen, functies en prestaties,die plotseling kunnen wegvallen.
Dan komt de depressie om de hoek kijken. Echte bevrediging van de behoefte er
te mogen zijn zoals men is, zonder prestaties, is op deze wijze niet meer
mogelijk. Daarvoor is de tijd onherroepelijk voorbij; succes en erkenning
kunnen de oude leemte niet meer opvullen. De oude wonde kan alleen maar
genezen wanneer de roes van het succes wordt verlaten en men in staat is bij
de open wonde te blijven stilstaan. Dan zal men de oorzaak van de depressie
ook niet meer bij de ander zoeken, bijvoorbeeld bij de partner of bij de
kinderen. Het is wellicht moeilijk om onder ogen te zien dat depressie een
signaal is van het ik-verlies, ontstaan ter wille van de aanpassing die van
levensbelang was in de vroegste kindertijd. Zoals we hebben gezien heeft het kind
vaak heel vroeg geleerd hoe het niet mocht voelen om de liefde van de ouders
niet op het spel te zetten. Grootheidswaan en depressie signaleren een inwendige onvrijheid. Beide
vertonen veel overeenkomsten en ze zijn de keerzijden van eenzelfde medaille.
Alice Miller noemt enkel kenmerken op van beide uitingen, die allemaal
signalen zijn van een onecht-ik. -
-
Kwetsbaarheid van het
gevoel van eigenwaarde, -
-
Perfectionisme, -
-
Verloochening van de
onderdrukte gevoelens, -
-
Overmatig gebruik van
anderen, -
-
Hevige angst voor
verlies van liefde, vandaar grote bereidheid tot aanpassing, -
-
Moeite om ‘gezonde
mensen’ niet af te breken, -
-
Agressie (emotie) in
plaats van gevoel, -
-
Gevoeligheid voor
krenkingen, -
-
Neiging tot schaamte en
schuldgevoelens, Lowen schetst het ‘imago’ van superioriteit
als volgt: -
-
Ontkennen van de
pijnlijke innerlijke werkelijkheid, -
-
Een manier om
waardering van anderen te krijgen, -
-
Macht over de anderen
uitoefenen. Gemeenschappelijk
daarin is het zichzelf overstijgen om het leven leefbaar te maken. Als de
narcistische faVade van superioriteit wegvalt, komt het
gevoel van gemis en droefheid: de depressie. Deze wordt gekenmerkt door
gebrek aan gevoel, innerlijke leegte, gefrustreerdheid, onvervuldheid. De
minderwaardigheid van de depressie is de camouflage van de grootheidswaan.
Dit alles leidt tot rusteloosheid. Er ontstaat een impasse. Het echt-ik dat
opgesloten zit in de kerker van de ontkenning blijft pogingen ondernemen om
zijn ware Zelf alsnog kenbaar te maken, ditmaal niet aan de ouder, maar aan
het eigen volwassen, vervormde kind. Dit stuit op hulpeloosheid. Maar in onze
maatschappij staat hulpeloosheid gelijk aan zwakheid, en wordt macht en
beheersing voorgesteld als de uitweg uit angst en wanhoop. En zo hebben we
geleerd weg te lopen voor de ervaring van hulpeloosheid. ‘en dus dromen we
haast allemaal van succes, veroveringen en indrukwekkende daden om maar te
ontkomen aan onze gevoelens van
hulpeloosheid, angst en wanhoop. Maar in de
nachtmerries van de kinderjaren en ook nadien halen ze ons in, zo merkt Gruen
op. De pogingen om uit de kerker te komen roepen grote angst en afweer op.
Het ongekende is bedreigend. We zijn bang om het gekende, het onechte-ik, te
verliezen. Wat komt er in de plaats? Deze angst kan doodsangst betekenen.
Binnen is men doodsbang; buiten bouwt
men een faVade op die zich wisselend vertoont als
grootheid en depressie: zijn we iemand of zijn we niemand? Zijn we machtig of
machteloos? Wie de volledig machtige aanneemt, gedraagt zich als heerster,
als crimineel. Waar de machteloze overheerst, vertoont zich de psychisch
gestoorde. Daartussen zitten de ‘gematigden’ die heen en weer geslingerd
worden tussen gevoelens van macht en onmacht, van grootheid en depressie, van
er zijn en niet zijn. We doen pogingen
om een verbond met onszelf te sluiten, we zullen niet te veeleisend zijn: een
beetje van onszelf geven en rekenen op de anderen. Dat wat we vroeger hebben
gemist, aanvaard te worden door anderen,
krijgt de prioriteit. Op deze wijze
lost de gespletenheid zich echter niet op. Deze zit in eerste instantie
tussen het echte en het onechte-ik; pas in tweede instantie tussen mij en de
anderen. Deze gespletenheid bevindt zich tussen vader en moeder-in mij,
tussen mijn geest en mijn lichaam, tussen mijn verlangen belangrijk te zijn
voor de ander en echt betekenis te hebben voor mijzelf, tussen het
waarachtige en het onwaarachtige in mij. Deze dubbelheid in mijzelf is in
strijd met elkaar. Het echte-ik wil groeien, leven , beleven. Het onechte-ik
verliest steeds meer aan levendigheid, het takelt af, zowel geestlijk als
lichamelijk. Dit gemis aan levendigheid leidt tot de behoefte aan stimulering
en veroorzaakt op zijn beurt nog meer verdoving. We zoeken steeds meer van
hetzelfde, we raken verslaafd: verslaafd aan aandacht, aan herkenning, aan
genotmiddelen, aan slaapmiddelen, aan macht, aan bespiegelingen, aan mystieke
ervaringen, kortom, aan surrogaat. We proberen te vluchten uit de
werkelijkheid. Enerzijds zijn we bang voor de waanzin en gaan we krampachtig
op de vlucht voor de chaotischegevoelens; anderzijds leven we ‘normaal’ dat
wil zeggen ‘zonder gevoel’, en dat is pas waanzinning. Het onechte-ik maakt
misbruik van anderen om gevoelens te camoufleren. De anderen worden in
twijfel getrokken of belachtelijk gemaakt wanneer ze aan het eigen onvermogen
raken. Het echt in de
mens - in de mate dat het nog leeft – wil niets liever dan dat anderen van
hem houden, maar het onechte belet hem dit op een gezonde manier te uiten. De
vraag naar ‘echte’ liefde is vroeger verraden geweest. We kunnen later
moelijk tot de ervaring komen dat het nu anders is, dat we nu niet meer zo kwetsbaar en afhankelijk zijn,
dat we ons nu beter kunnen beschermen. De verdedigings mechanismen
zijn ontstaan toen het (jonge) kind deze nodig had om te overleven in een
wirwar van ontkenningen. Nu heeft heet deze verdedinging niet meer nodig en
doet ze meer kwaad dan goed. De verdedingingsmechanismen zijn euroses
geworden, die het leven verzieken. Wat onze ouders vroeger nalieten, kunnen
we nu in principe zelf: het kind in onszelf koesteren, (h)erkennen,
voeden,brijheid geven. Dit vraagtr echter dat we risico’s moeten nemen ten aanzien
van het onbekende. Dit vraat dat we minder acie ondernemen naar buiten en
meer naar binnen kijken om te ‘zijn’ en te voelen. Alle afleidingen naar
buiten, zoals radio, tv, disco, waaghalzerij, materiele uitspattingen,
genotmiddelen, pepmiddelen, verdoving, allemaal halen ze de mens van zichzelf
weg; ze scheppen afstand tussen de
mens en zijn gevoel. Dit houdt het identiteitsverleis in stand. Het
welbevinden wordt er niet door beworderd, Bij gebrek aan eigen bodem, aan
gevoel van eigenwaarde blijft men
leven vanuit andermans waarde. Lowen zegt het als volgt: ‘Als je ego wordt
opgeblazen door succes of een geleverde prestatie, gaat de werkelijkheid van
je lichaam navenant verloren. In dat geval kan verwarring alleen maar worden
vermeden door je lichaam en zijn gevoelens te ontkennen.’ Momenteel staat het
lichaam volop in de belangstelling. Het is echter een belangstelling die
alles te maken heeft met ‘er goed uitzien’ en ver afstaat van het ‘zich goed
voelen’; dit laatste wordt zelfs ontkend als mogelijkheid. Met een
verfrissende deodorant moeten we ons zelfverzekerd en gelukkig voelen. Stress, die een
positieve mogelijkheid is als aanpassing voor tijdelijk gebruik, wordt een
chronisch reactiepatroon. De bodem waarop ons bestaan rust, kan ek moment verschuiven;
we hebben er zhelf geen stabiele invloed op. Het onechte-ik is dus een zeer
kwetsbaar ik. Dit uit zich zowel in lichamlijke en psychosomatische klachten
als in geestelijke inertie. Echte ontspanning is bedreigend voor het wankele
zelfbewustzijn. We houden de boog gespannen, we versterken de macht van het
onechte-ik als remedie tegen de onderliggende onzekerheid. Tussen ‘held’
en ‘lafaard’ ligt er niets voor het
afgestompte onechte-ik. De realiteit van het groeiende zelf ligt daar echter
tussenin: ik kan sterk en zwak zijn;
ik kan veel goed doen, maar ik kan ook falen; ik ben zelfstandig, maar soms
voel ik me ook afhankelijk. In onze maatschappij is ‘zwak-zijn’, ‘falen’ het
ergste wat je kan overkomen. Sterk zijn, presteren, slagen zijn de hoogste
waarden. Wanneer dat niet lukt, moet ook de telurstelling weggewerkt worden.
Ogenschijnlijk onschuldig treffen we dit bijvoorbeeld aan na een verlies bij
een tv-öquiz. Er wordt onnatuurlijk gelachen en de stereotiepe kreet ‘het is
maar een spelletje!’ moet elk gevoel verbannen. O hoger niveau hadden we
recent het voorbeeld van premier Dehaene die na zijn afwijzing als voorzitter
van het Europese parlement met een pijnlijk gespannen gezicht verklaarde: ‘
het is erger voor Europa dan voor mijzelf’. De impasse
waarin het miskende kind is terchtgekomen, levert ook heel wat problemen op
in zijn relaties. Als de eigen bodem ontbreekt, ervaren we ook onze eigen
grenzen niet. En zonder duidelijke
grenzen kunnen we niet weten waar we
zelf ophouden en waar de ander begint. Dit leidt tot grensoverschrijding in
beide richtingen: anderen zullen te ver binnenkomen in mijn territorium of ik
zal de grens van de anderen niet in acht nemen. Onbegrenst
gevoel leidt tot ongedisciplineerd gedrag; terwijl het overbegrensde rigide
gevoel leidt tot overgedisciplineerd gedrag. Op het intieme vlak heerst er
een verwarring tussen afhankelijkheid en liefde. Zonder identiteit, zonder
eigen bestaansgrond houdt elke intimiteit een dubbel risico in. Ofwel zijn we
bang dat de ander, die we zo hard nodig hebben, ons zal verlaten, ofwel zijn
we bang opgeslokt te worden en zelf niet meer te bestaan. Dit dilemma is
ontstaan doordat zich een ‘binding’ heeft opgebouwd die de plaats heeft
ingenomen van een gezonde ‘band’ met de ander. Het onechte-ik is zijn leven
lang bezig met aandacht te schenken aan deze bindingen; bindingen met zijn
kinderen, bindingen met zijn ouders. Van de kant van de ouders is de
bekommernis: hoe kan ik mijn kinderen vasthouden? Van de kant van de kinderen
leeft de onbewuste vraag: hoe kan ik mijn ouders tevreden stellen, opdat ze
mij bewijzen dat ze van me houden? Een duidelijke uitwas hiervan zien we met
de feestdagen. Kinderen voelen zich verplicht, vaak ten kosten van heel andere behoeften, die
dagen bij hun ouders door te brengen. Geven ze hier geen gevolg aan, dan
voltrekt zich een drama bij de ouders: de kinderen zijn ondankbaar, erger
nog, ze zijn onwaardig. De kinderen voelen zich schuldig en ze zullen
allerlei uitvluchten moeten zoeken. Hiervoor kunnen öze weer hun eigen
kinderen gebruiken. Nogmaals, deze binding tussen ouders en kinderen, de
eerste in het leven, zal alle andere
relaties in het leven scaden. Het in narcistisch opzicht onvervulde kind
blijft deze binding in stand houden vanuit zijn onstilbare honger naar
liefde, aandacht en genegenheid. Intimiteit is vanuit deze basis niet moglijk. Seks wordt vaak
gebruikt als substituut voor de verloren intimiteit en het gebrek aan
mogelijkheid ott liefde geven en ontvangen. Dit manifesteert zich vooral aan de kant van de vrouw. Het narcisme van
de vrouw camoufleert zich vaak achter het masker van steeds aardig, lief en
‘gevend’ te zijn. Als hij maar gelukkig is! Het onechte-ik van de man raakt
verward in zijn seksualiteit, doordat ze vaak doordrenkt is van opgekropte
woede en verborgen agressie,. Zijn seksualiteit neemt dan ook de vorm aan van
machtsvertoon. Lowen zegt: Via
macht overheerst de man de natuur en de vrouw, die hij met de natuur op één lijn
stelt.’ Macht is voor hem de manier om zichzelf te beschermen tegen
vernedering en minderwaardigheid. Daarom mag aan die macht niet getornd
worden. Elke aanval op die macht dreigt machtgeloos te maken en wekt de angst
opnieuw vernederd te worden. Daarom kan gefrustreerde woede tot blinde woede
leiden. Blinde woede
houdt in dat er geen verhouding meer bestaat tot de belediging die zich op
dat ogenblik voordoet. De gruweldaden die zich hebben voorgedaan in onder
andere Rwanda en Bosnie zijn hiervan sprekende voorbeelden. ‘De
onevenredigheid van blinde woede doet vermoeden dat het ware motief voor die
moordneiging een ernstiere belediging of gekwetstheid bereft, die zich eerder
in het leven heeft voorgedaan en die toen is onderdrukt.’ Zo worden baby’s met
onuitsprekelijke verlangens en onvervulde behoeften later moordenaars,
dictators of willoze verslaafden en angstige depressieve patienten. Zo blijft het
onechte-ik in de greep van oud zeer. Deze impasse is verantwoordelijk voor
het geweld en de wreedheid op aarde. Ze is ook verantwoordelijk voor het
lijdzaam ondergaan van deze onderdrukking door grote groepen onderdanen. Zij
‘koesteren’ hun leed in apathie en depressiviteit. Hun ware ik doet niet meer
mee. Hun leven heeft iets onwerkelijks, ze zijn er wel bij maar ze nemen er
geen deel aan. Zij schermen zich vaak af met een of andere ideologie of
godsdienst. Om de aandacht af te leiden van de opdringende gevoelens schakelt
men het hoofd in: ‘ieder huisje heeft zijn kruisje’, en ‘er is overal wel
wat: Het generaliseren is een vluchtroute om uit de
emotie te komen. De impasse
tussen het echte-ik en het onechte-ik is in feite een strijd tussen het heden
en het verleden van het miskende kind. Omdat het onecht-ik steeds met een
deel van zichzelf hunkert naar het onvervuld gebleven verleden, kan het zijn
aandacht nooit ten volle wijden aan heet huidige moment. Het leeft in een
constante regressie, het eist nog de aandacht en de liefde op die het vroeger
heeft moeten missen. Het eist nog als baby behandeld te worden.
Tegelijkertijd bedient het narcistische ik zich van substituten,
controlepatronen of afweermechanismen die het echte-ik ook in het ‘nu’ verder
verminken. We hebben hulpmiddelen nodig om het gehandicapte leven aan te
kunnen. De anderen spelen daarin een grote rol. Partner, kinderen, vrienden,
collega’s, het onechte-ik heeft ze allen ‘nodig’ om het surrogaatleven in
stand te houden. De eigen pijn wordt op anderen geprojecteerd. Ook de reclame
speelt gretig in op de onvervuldheid van het miskende kind. De materiele
verslavingsmiddelen zoals geld, welvaartsmiddelen en genotmiddelen worden
voorgesteld als de oplossingen voor het verloren geluk. Het gevoel dat deze
middelen zouden moeten verschaffen lijkt overeen te komen met het gevoel dat
de baby gekend zou moeten hebben in de armen van zijn moeder. Verslavingen
houden de mythe in stand dat alle verlangens nog kunnen bevredigd worden. Het onvolwassen
echte-ik, het onvolwassen kind in onszelf blijft echter signalen uitzenden
dat het niet goed met hem gaat. Depressies, lichamlijke klachten, onrust,
slapeloosheid getuigen hiervan. Het onechte-ik onderdrukt deze signalen, het
legt het zwijgen op aan het kind, zowel op individueel als op
samenlevingsniveau. Het verschijnsel
van het groeiende gebruik van verdovende middelen is maar het ‘topje van de
ijsberg’. Een schrijnend
probleem dat nog te weinig onderkend wordt, is de expansiedrang, vooral van
mannen. Onderdrukte angst ligt hieraan ten grondslag. Behalve oorlog en
geweld zijn er nog tal van gelegaliseerde angstonderdrukkende middelen die
gecamoufleerd worden onder nobele doelen. Het mannelijke
streven naar een verenigd Europa is hiervoor exemplarisch. Voor ieder die wat
afstand kan nemen van dit Europese
bouwwerk lijkt het wel een fictief spel van een poppentheater. Terwijl grote
delen van de wereld getuigen van een tendens zich weer los te maken van
de kunstmatige eenmaking door
kolonisators en ander totalitaire regimes en te zoeken naar hun oorspronkelijke identiteit, zijn
politici en zakenlui hier tegendraads bezig. Om angst te onderdrukken willen
ze steeds grotere eenheden creeren. Was het niet verstandiger geweest een rib
uit Eva te nemen om Adam te scheppen? Behalve de
neiging om grote en controleerbare eenheden te formeren is er ook een neiging
om de angst te overstijgen door iedereen gelijk te maken. Een wereld
waarin iedereen gelijk is, is men een wereld waarin het gevoel wordt miskend.
Dit verschijnsel dat men momenteel, zeker in Nederland, op grote schaal
aantreft, heet nivellering. ‘Iedereen is
gelijk, iedereen is gelijkwaardig’ luidt de slogan. Het feit dat men
niet mag discrimineren, dit wil zeggen, dat men niet mag ‘onderscheiden’, is
dodend voor elke kiem, voor elke ontplooiingskans. Discrimineren is in onze beschaafde wereld synoniem geworden
van ‘verwerpen’. Het is een negatief predikaat geworden, terwijl het kwaad
niet ligt in het ‘onderscheiden’, maar wel in het ‘onderdrukken’ van bepaalde
onderscheiden groepen. Ik wil zelfs nog
een stap verder gaan: niet iedereen is gelijkwaardig. De ongelijkwaardigheid
ligt hem echter niet in huidskleur, intellectuele ontwikkeling of aanzien,
maar wel in het bezitten van een waar Zelf. Iemand die zijn ware Zelf beter
heeft bewaard en ontplooid, is meer waard dan iemand die zijn onechte-ik
heeft gecultiveerd. De mensen met het echte-ik worden in onze samenleving
echter juist negatief gediscrimineerd, omdat ze een doorn zijn in het oog van
de narcistische medemens. De enige juiste
waardeschaal is deze van de innerlijke menselijke ontplooiing. Zij geeft
resultaat aan van de strijd tussen
het echte en het onechte. Naarmate het echte-ik de bovenhand krijgt, raakt
het uit de ban van het heen en weer slingeren tussen grootheidswaan en
depressiviteit. Mensen met een
sterke grootheidswaankomen alleen bij de psychotherapeut wanneer de depressie
om de hoek kmt kijken. Op het bewuste niveau lijden zij minder onder de
grootheidswaan, de omgeving vaak des te meer. Mischien is dit
wel de grootste oorzaak van de moeizame partnerrelaties: mannen zijn in de
gelegenheid de grootheidswaan langer intact te houden; de situatie van de
vrouwen geeft meer aanleiding tot depressie. Zij komen dan ook eerder bij de
therapeut. |