website counter

 

Gaby Stroecken spreekt in haar boek “het miskende kind in onszelf” over de “echte”/ware ik en de onechte ik die tijdens ons leven/onze jeugd is ontstaan.

 

Onderstaande tekstdelen heb ik overgenomen uit haar boek Het miskende kind in onszelf, ISBN 902692498-4

 

 

Gezond en ongezond narcisme

 

De verwekking, de prenatale groei en de geboorte, zowele biologisch als psychologisch, vormen fundamentele momenten in het leven van de jonge mens. Op deze momenten wordt zijn toekomst grotendeels vastgelegd, en met name wat betreft het beeld  dat hij van zichzelf en van de wereld heeft.

De ervaringen in zijn allervroegste kindertijd bepalen of iemand op een positieve, realistische manier naar zichzelf kijkt of overdreven aandacht schenkt aan  zijn imago ten koste van zijn ware Zelf.

Een positief en gezond zelfbeeld is gebaseerd op  zelfvertrouwen en basisveiligheid; een overdreven opgeklopt zelfbeeld vindt zijn oorsprong in miskenning en afwijzing.

 

Mensen die zich meer bekommeren om hoe ze overkomen  dan om wat ze voelen worden narcistische personen genoemd.

Volgens de Griekse mythologie was Narcissus een knappe jonge man die de liefde van de nimf Echo versmaadde. Op een dag boog hij zich over het spiegelgladde water en zag zichelf weerspiegeld. Hij werd hartstochtelijk verliefd op zijn spiegelbeeeld en stierf van verlangen. De goden veranderden hem in een bloem die naar hem werd genoemd: de narcis. In de mythe wordt de narcist dus bestraft voor het feit dat hij niet tot liefde voor een ander in staat was.

 

In het algemeen wordt elke vorm van narcisme als negatief bestempeld. Ook Lowen vult in zijn boek over narcisme dit begrip negatief in. Hij stelt:`Narcisme staat zowel voor een psychologisch als maatschappelijk verschijnsel. Op het persoonlijk vlak  duidt het op een stoornis in de persoonlijkheid die zich kenmerkt door het feit dat iemand op een overdreven manier investeert in het zelfbeeld ten koste van het zelf.

 

Maatschappelijk gezien is narcisme het verlies van menselijke waarden – een gebrek aan zorg voor het milieu, de kwaliteit van het leven, de medemens. Narcisme is in zijn opvatting synoniem van alleen op zichzelf gericht zijn, streven naar macht en controle, neigen tot verleiden en manipulieren. In deze betekenis van het begrip narcisme spreekt Alice Miller over ‘gestoord’ narcisme.

Bestaat er een ongestoord narcisme? Volgens Alice Miller wel en ik (G. Stroecken) volg haar daarin. Dit gezonde narcisme omschrijft ze als een gevoel van innerlijke vrijheid.

Personen met een gezond narcisme leven vanuit een sterke kern, ze leven vanuit zichzelf en in de eerste plaats voor zichzelf, ze zijn egocentrisch. De anderen kunnen meegenieten van hun levensvreugde.

De evangelische boodschap ‘bemin uw naaste zoals uzelf’ gaat er ook van uit dat men zichzelf eerst liefheeft. Echter, dit gebod is overbodig: wie wezenlijk van zichzelf houdt, laat automatisch anderen daarin delen. Men gaat dan naar de anderen vanuit een overvloed en niet vanuit een tekort.

 

De gezonde narcist is niet egoistisch, maar hij leeft wel egocentrisch, dat wil zeggen, vanuit zijn eigen kern. Deze kern heeft alles in zich om ook anderen te verrijken.

Het sociaal zijn is de mens aangeboren. Een gezond narcisme kenmerkt zich ook door een gezond zelfbewustzijn; ervaren behoeften, gevoelens en verlangens worden beleefd als behorend tot het eigen ik en ze mogen er zijn.

Gezond narcisme vertaalt zich ook in het zich werkelijk bevinden in het moment dat geleefd wordt`, zoals Liedloff het noemt. Het echte-ik leeft in het nu , dat synoniem is van “juist voelen”.

Dit maakt een bevrijdende relatie met anderen mogelijk. Men is helder voor de ander, van hem gescheiden zonder afgescheiden te zijn.

Een gezond narcisme houdt in dat we onze eigen gevoelens kunnen laten bestaan, kunnen ´beleven`, kunnen uitten, los van de vraag of we daardoor geliefd of afgewezen worden. Vanuit een gevoel van eigenwaarde kunnen we blij, bedroefd, vertwijfeld, hulpbehoevend zijn...

we kunnen alleen zijn zonder eenzaam te zijn.

 

“Gezond” narcisme ontstaat als het (ongeboren) kind in zijn allervroegste bestaan door zijn moeder is bevestigd. Als het ongeboren kind en de baby zich in alle opzichten geaccepteerd weten en ze er zeker van zijn dat er altijd iemand voor hen is, dan bouwen zij een gezonde narcistische bevoorrading op. Deze bestaat hieruit, zegt Bradshaw, dat je wordt bemind als degene die je bent, bewonderd en naar waarde geschat wordt, aangeraakt en als iets speciaals behandeld, dat je zeker weet dat je moeder je niet verlaten zal, dat je ernstig genomen wordt.`

 

Een jong kind dat zo is bejegend is nog echt lief; het geeft vriendschap. Als de miskenning door de ouders het kind tot onechtheid heeft gedwongen, dan kan het al snel allerlei onechte symptomen gaan vertonen. Het vraagt overdreven aandacht, het wil overdreven gezien worden of het trekt zich helemaal terug. Daarop volgt dat het kind niet lief meer gevonden wordt, als lastig aangemerkt en daardoor nog meer genegeerd. 

De neerwaardse spiraal heeft zich ingezet.

Het volgende fragment uit een brief van een vrouw van boven de zeventig die alsnog het miskende kind in zichzelf wilde helen, geeft ons een beeld van hoe het in haar opvoeding fout is gegaan. Ze schrijft: Moeder, jij was altijd te druk bezig met je werk voor de liefdadigheid. Je had nooit tijd om me te zeggen dat je van me hield. Je gaf me alleen maar aandacht wanneer ik ziek was of wanneer ik piano speelde en jij trots op me kon zijn. Je stond me alleen die gevoelens toe die jou aangenaam waren. Ik was alleen maar belangrijk wanneer ik heet jou naar je zin maakte. Je hebt nooit om mijzelf van mij gehouden. Ik ben zo alleen geweest...`

 

Een gezonde narcistische bevoorrading voorkomt dat we  kinderlijke behoeften later als volwassenen moeten meeslepen. Hebben we deze bevoorrading niet, dan gaat het ontstane onechte-ik deze behoeften cultiveren en er levenslang hongerig naar zijn.

Het echte kind dat verwond is geraakt zal zijn leven verstoren met driftbuien, huilbuien, overtrokken reacties en gebrekkige sociale relaties.

Allice Miller noemt tien kenmerken van een geslaagde narcistische ontwikkeling. Ze noemt ze “ideale” constructies... die in werkelijkheid hoogstens bij benadering worden aangetroffen. Een paar van deze kenmerken wil ik hier niet onvermeld laten. Ik geef er mijn eigen samenvatting van:

 

-          -         Het streven naar zelfstandigheid werd niet ervaren als uiting van agressie, zodat deze niet werd afgestraft.

-          -         Doordat de ouders het kind niet nodig hadden als “visitekaartje” voor eigen presentatie, kon het kind zijn eigen gevoelens hebben: liefde, haat, jalouzie, verdriet, woede, enz.

-          -         Het kind heeft zijn ouder, doordat deze sterk genoeg waren, kunnen gebruiken om zelf te kunnen experimenteren met eigen mogelijkheden en begrenzingen.

-          -         Het kind heeft tegestrijdige gevoeens mogen tonen, waardoor het zichzelf en de anderen heeft kunnen ervaren als geslaagd en minder geslaagd; het heeft het ‘slechte’ en het ‘goede’ niet van elkaar  hoeven isoleren.

-          -         Liefde naar anderen is mogelijk geworden doordat het kind niet als verlengstuk, maar als afzonderlijk wezen door zijn ouders is bemind.

 

De conclusie mag duidelijk zijn: een gezond narcisme is pas mogelijk, als we zelf in zo’n klimaat zijn opgevoed of als we ons zo’n klimaat eigen gemaakt hebben.

Uitgaande van het feit dat opvoeden per definitie is: uitgaan van de behoeften, gevoelens en normen van de ouders, zal iemand niet zonder meer een dergelijk veilig klimaat voor zijn kinderen kunnen creeren.

Een psychotherapeutische interventie zal voor velen een dwingende noodzaak zijn om een vrije persoon te worden, die op zijn beurt kinderen kan laten opgroeien als vrije mensen.

Voorlopig zullen we er mee te maken hebben dat de aanpassing van het kind aan de volwassenen, vanaf zijn vroegste bestaan, de belangrijkste oorzaak is van een gestoord narcisme.

 

Het kind kan eigen gevoelens niet zonder meer ervaren en beleven zegt Alice Miller, want een kind kan die alleen beleven wanneer er een persoon aanwezig is die het met die gevoelens accepteert. Vanuit dat niet kunnen beleven van eigen gevoelens voelt het kind zich ‘verlaten’ een oergevoel van het kleine kind dat geen afleidingsmogelijkheden heeft. Het kan zijn ouders niet bereiken en hen ook niets duidelijk maken.

Ik wil op dit punt opmerken dat het hier niet gaat over individuele ouders die slecht zouden zijn de morele zin. Alle ouders zijn in mindere of meerder mate narcistisch noodlijdend geweest. Hun kinderen, en de kinderen van hun kinderen, zullen dat waarschijnlijk op hun beurt ook weer zijn, tenzij iemand de cirkel doorbreekt.

 

Het ‘kind in de ouder’ laat zijn eigen behoeften te voorschijn komen ten overstaan van een beschikbaar object dat het kind buiten hen is. Deze behoeften eisen bevrediging. Het kind voelt dat aan en houdt al heel vroeg op zijn eigen behoeften te uiten. Door de aanpassing kent het kind zijn ‘ware’ behoeften niet meer; het wordt in sterke mate vervreemd van zichzelf: het raakt zijn eigen bodem kwijt en daardoor kan het zich niet losmaken van zijn ouders; het wenst voortdurend ‘bevestigd’ te worden. Het kind wordt narcistisch noodlijdend. Het stopt  zijn energie in  zieke wortels, waardoor blad en bloem slecht groeien en niet tot bloei komen. Deze situatie blijft ook op later leeftijd bestaan. Men zal ten koste van veel die bevestiging opeisen; kan het niet goedschiks, dan  kwaadschiks. “psychisch ziek is derhalve een gekrenkt, primair intact organisme, een door traumatisering in zijn oorspronkelijke harmonie gestoorde mens, die nog slechts gedeeltelijk in staat is  tot bewustzijn en die verminderd functioneert, aldus Stettbacher.

 

De cirkel is rond: de gevoelens van het kind worden ontkend, waardoor het een onecht-ik opbouwt dat op zijn beurt aanzet tot ontkenning van het eigen gevoel. Of anders gezegd: narcistisch noodlijdende ouders gaan een kind ‘narcistisch’ bezetten’. Dat kind wordt op zijn beurt narcistisch gestoord en wordt zo een noodlijdende ouder. De mens die op deze wijze getraumatiseerd is, zal öin de toekomst dienovereenkomstige reactievormen laten zien waartoe hij door het effect van kenmerken en signalen wordt gedwongen, zonder dat hij zijn gedrag in vrijheid kan bepalen, merkt Stettbacher verder op.

 

De gestoorde narcist blijft altijd op zoek naar zijn verloren geluk.

Na een goede verwekking, na het leven in een goede baarmoeder dat wordt gevolgd door een goede geboorte, mogen we ervan uitgaan dat een pasgeboren in kiem een gezond narcisme bezit. Hij draagt de potentie in  zich om een gezond zelf te ontwikkelen;  dit wil zeggen , een helder geest en een sensitief gevoel in een levend lichaam. Hij draagt de verwachting in zich om zichzelf te realiseren, volgens zijn eigen mogelijkheden, en deze ontplooiing is goed. De baby is onschuldig en reageert spontaan op grond van de lichamelijke behoeften van het Zelf. Het kind heeft vertrouwen in zijn omgeving en het schenkt deze ook vertrouwen. Door de noodlijdendheid van de ouders wordt dit vertrouwen geschonden. De onschuldige baby wordt verraden.

In de eerste plaats gebeurt dit door datgene wat ouders `nalaten´ te doen: te weinig  koesterinig geven, het kind niet zien in zijn eigenheid en deze eigenheid niet respecteren. Op de tweede plaats wordt het vertrouwen van het kind geschonden door datgene wat ze het kind aandoen : het kind vormen naar het beeld dat zij ervan hebben, een beeld dat voortkomt uit het eigen vervormde zelfbeeld, gebaseerd op de trauma’s uit de eigen kindertijd.

Zo wordt het kind, door toedoen van de ouder, vervormd tot een ongezonde narcistische persoon. Het kind wordt verleid om datgene te voelen en te doen wat de ouders willen dat het voelt en doet. Het voelen wordt een mentale constructie. Dit alles gebeurt onder het voorwendsel dat het voor zijn bestwil is. Ze noemen het “pedagogisch verantwoord”. 

Ouders willen dat hun kind bijzonder is; dat is het beeld dat zij voor ogen hebben. Zij willen iets van het kind maken.

De werkelijkheid is echter dat zij iets van het kind nodig hebben, en wel de bevestiging van zichzelf. Door de ontkenning van zijn eigen gevoelens en behoeften wordt het kind afgewezen en vernederd en daardoor worden deze gevoelens en behoeften onderdrukt. Het kind stelt zich in dienst van de ouder, en wil nog redden wat er te redden  valt. Het eigen zin wordt ontkracht, het kind wordt machteloos overgeleverd aan de macht van de ouders.

Het onechte-ik wordt geboren.

Ontkennen van de gevoelens van het jonge kind is gelijk aan het beroven van zijn Zelf. Het gevolg is dat het kind een onecht-ik opbouwt ter compensatie, ter overleving. Het onechte-ik zal steeds meer ongezonde narcistische kenmerken vertonen.

 

De belangrijkste kenmerken van de narcistische persoon zijn:

 

-             Dat hij meer bekommerd is om hoe hij bij de anderen overkomt dan om wat er binnen in hem omgaat;

-           Dat hij in-  vesteert in het beeld dat hij van zichzelf heeft opgebouwd aan de hand van het beeld dat belangrijke anderen van hem hebben, ten koste van het innerlijke zelf;

-           Dat hij veel naar buiten toe gericht is , los van het innerlijke gevoel dat hij negeer

-           Dat hij ‘uitleeft’ in plaats van te ‘beleven’;

-          Dat hij zich steeds moet bewijzen;

-          Dat hij geen onderscheid kan maken tussen ‘beeld’ en ‘zijn’;

-           Dat gevoelens van meerwaarde en minderwaarde bij hem hand in hand gaan.

 

Lowen noemt ‘ongezond’ narcisme een gerichtheid op het ‘imago’ in plaats van op het gevoel.

Een ‘ongezonde’ narcist wil volmaakt zijn, en anderen moeten hem ook zo zien. Dit beeld verraad zijn valse zelf, zijn onechte-ik. Het echte-ik is het ware Zelf, het natuurlijke kind in onszelf. Het onechte-ik is het namaak-zelf.

Lowen verzet zich tegen de bewering als zou een kind ongezond narcistisch geboren worden. Ook is hij van mening dat de in een zeer vroeg stadium verstoorde ouder-kindrelatie de vervorming tot stand brengt. Het primair narcisme – ik zou het egocentrisme noemen – is een gezond narcisme. De verstoorde ouder-kindrelatie bewerkstelligt dat het kind zich identificeert met het (vervormde) ik  van de ouder. Het neemt het waardepatroon van de ouder over en ontwikkelt een zelfbeeld dat deze waarden weerspiegelt. Het kind wijst in zichzelf af wat de ouder verwerpelijk vindt, omdat het gelooft dat wat de ouder afwijst echt ‘slecht’ is en in hem gecorrigeerd moet worden. Bevestigen wat de ouders goed vinden is ook een vorm van gevoelens negeren. Er wordt al heel jong bijgebracht dat we onze gevoelens moeten verbergen en een bepaald gezicht moeten laten zien. De mensen mogen , bijvoorbeeld, niet zien dat we kwaad zijn. Dit gebeurt uiteraard in eerste instantie onbewust. Wat ouders willen is een lachende stralende baby die braaf en makkelijk is.

Kinderen merken algauw dat er van hen gehouden wordt als ze lachen. Vanaf de geboorte echter is het huilen van de baby zijn eerste en diepste behoefte om spanningen los te laten. Even wordt dit door de ouders geduld; het hoort bij een pasgeboren baby’, al snel merkt ht kind dat de ouders er niet meer zo blij mee zijn. Het roept allerlei onaangename gevoelens bij hen op: schuld, onzekerheid, irritatie.... Twee centrale emoties ontstaan er bij het kind: verdriet en angst. Verdriet omdat het iets van zichzelf kwijtraakt; angst omdat het kwetsbaar en afhankelijk is van anderen op wie het niet kan rekenen. Het gezonde narcistische kind voelt zich ontredderd; zijn verlangens zijn niet groter dan zijn reele natuurlijke behoeften, het vraagt niet meerhet nodig heeft, en toch wordt het met afgrijzen benaderd. Afgrijzen past op deze ervaring van het naieve kind dat zich van geen kwaad bewust is. Het kwaad ligt immers ook niet bij het kind, maar bij de ouder die zijn eigen gefrustreeerde gevoelens in het kind legt.

 

 

 

 

 

 

 Een kind dat zichzelf verliest staat niets anders te doen dan voor dit verlies compensatie te zoeken. De pijn zou anders ondraaglijk zijn. Het onechte-ik dat zich daardoor ontwikkelt, trekt een muur op voor de opgekropte pijn. Op deze wijze probeert het kind, en later de volwassenen, de pijn te weren. Het is zoeken naar een houvast voor het verlies. De controlepatronen die het kind als substituten hiervoor hanteert, hebben we reeds eerder besproken. Naarmate het kind volwassen wordt, evolueren deze patronen tot vaak  hardnekkige afweer; angstwekkende, als verboden ervaren impulsen worden onbewust gemaakt. Deze afweer van het onechte-ik is vaak gebaseerd op onze sterke punten. Bijvoorbeeld, rationaliseren doen we met ons verstand, en hoe groter de moegelijkheden van dit verstand, hoe meer kans op rationalisaties bij ontkenning van het gevoel. Manipuleren doen we op basis van ons aanvoelen van situaties; heo scherper ons aanvoelen, hoe groter de kans dat onze onechtheid zich hierin zal manifesteren.

Freud heeft zich grondig beziggehouden met de mechanismen van deze afweer. Ik wil er hier een paar in het kort beschrijven:

 

-          -         Bij verloochening of ontkenning wordt de realiteit niet meer onder ongen gezien. Het verdriet en de angst van het jonge kind dat niet gehoord wordt, zijn niet leefbaar. Daarom moet het al snel overgaan tot ontkenning van deze gevoelens. De boosheid om de verwaarlozing mag er ook niet zijn. Het kind voelt zich machteloos en krachteloos. Het verlangen wordt op iets anders gericht. De afhankelijkheid wordt ontkend. Al snel zullen er daardoor machtsgevoelens ontstaan die een camouflage zijn van de ontbrekende kracht en de knagende machteloosheid. Het kind raakt onzeker tegenover de schijnzekerheid van de ouders die zich arrogant opstellen.

-          -         Bij verplaatsing worden gevoelen die niet mogen bestaan vertaald in ander, geaccepteerde uitingen. Het verdedigingsmechaninsme tegen de onderdrukte boosheid kan zich uiten in de vorm van verdriet als dit beter geaccepteerd wordt. Dit speelt vooral bij meisjes een grote rol. Kinderen krijgen al heel vroeg te horen dat ze niet zo boos mogen zijn. De woede tegenover de ouders mag zeker niet geuit worden. Kinderen worden vaak gestraft om boze uitingen. Ze moeten alles vriendschappelijk oplossen. De machteloosheid die hierbij ontstaat, wordt geuit via tranen. En wanneer huilen ook taboe is, kan het kind onvergaan tot lachen als dekmantel voor zowel de boosheid als de machteloosheid. Het wil niet meeer geraakt worden; dan maar liever ontkennen dat het iets voelt.

-          -         Bij introjectie wordt het van buiten opgelegde naar binnen gehaald en beschouwd als een stuk van het eigen ik. Als het kind afgewezen wordt in zijn creativiteit doordat de ouder dwangmatig controlerend en opruimend bezig is, dan weet het kind op den duur niet beter dan dat het zelf dol is op netheid en orde. Zijn creativiteit is naar het onbewuste verdwenen; het beknotte deel van de ouder heeft zich in het kind genesteld.

-          -         Bij rationallisatie brengen we ervaringen, om ze acceptabel te  maken, van het gevoel naar het verstand. Wanneer het lichaam en de daarbij horende gevoelens worden afgewezen, leert het kind daaruit de conclusie trekken dat het met zijn geest het lagere kan overstijgen en hoogstaand kan worden. De rede heeft de bovenhand gekregen over het gevoel en de daad. Dat geeft houvast.

-          -         Bij sublimatie worden pogingen gedaan om te ontsnappen aan het zelf, om zodoende het onderdrukte gevoel aan te kunnen. Deze ontsnapping, deze vlucht kan zich vertalen in almachtsgevoelens. We wanen ons onsterfelijk, op het niveau van de goden, we leven in hogere sferen. Een analyse van veel heiligen- en heldenlevens zouden de narcxistische trekken van hun ‘heldhaftige’ leven kunnen blootleggen. Stettbacher geeft hierop een aanvulling: Omdat het resultaat van elke vorm van afweer een compromis inhoudt, dringt er in het resultaat van sublimering toch vaak iets door van de afgeweerde, oorspronkelijke impuls. Zo kan een deel van de agressie tot uiting komen in een fanatieke drag om mensen te bekeren.

 

Al deze afweermechanismen hebben gemeenschappelijk dat ze de oorspronkelijke situatie en de bijbehorende gevoelens verdringen. Zij hebben tot doel de angst te verminderen, angst die is ontstaan door het verlies van het eigen-ik. Er is een breuk onstaan tussen het ‘ware’ en het ‘onechte’ in het zelf. Het onechte ik kan niet meer ‘beleven’; het gaat zijn toevlucht nemen tot ‘uitleven’ , afreageren.

In plaats van ‘gevoelens’ komen er ‘emoties’ naar boven. Beide, gevoel en emotie, hebben hun eigen kenmerken.

Gevoel hoort bij een bepaalde situatie, heeft contact in het hier en nu van de eigen leefwereld.

Emotie wordt vaak onrechtstreeks opgeroepen door omstandigheden die buiten onze eigen belevingswereld staan. Zo kunnen bijvoorbeeld naar aanleiding van beelden op de televisie, emoties naar boven komen. Deze beelden doen dan appél op eigen ervaringen die verdrongen zijn, terwijl we onze reacite toeschrijven aan de dingen die daar buiten ons gebeuren. Dat kan zijn. Onrechtvaardigheid, krenking, verlies, honger, verlantenheid, onmacht. Of we zien positieve dingen die we zelf heel erg hebben gemist: warmte, geborgenheid, tederheid,begrip...

Gevoelens zijn over het algemeen veeel minder explosief dan emoties. Zolang we deze emoties niet herkennen en erkennen als signalen voor onze onverwerkte gevoelens, brengen ze ons niet dichter bij deze gevoelens. Het blijft een ‘uitleven’ van emoties.

We blijven dan meer van hetzelfde zoeken: meer aandacht, meer begrip, meer recht, en dit dan vaak bij de verkeerde personen.

 

Voor een gezondmaking van dit verziekte opvoedingssysteen is er maar één weg: het opheffen van de vervreemding van het eigen ik van de volwassenen. Anders blijven baby’s mensen worden met onuitsprekelijke en onverzadigbare behoeften en verlangens. Het worden volwassen kinderen die de realiteit van zichzelf, en daardoor ook van de anderen, niet meer kunnen achterhalen. Elk signaal van binnen naar buiten en van buiten naar binnen wordt gefilterd. Als het miskende en verwonde kind zijn schuilplaats van de afweer niet kan verlaten, dan zal het blijven proberen zijn verleden te complementeren door anderen de rol van ouder op te dringen om zijn onechte-ik te verzadigen.

‘Uitleven’ is een signaal van het ware Zelf. Het ware Zelf is er nog, maar men blijft het ontkennen.

‘Uitleven’ zou in het gunstigste geval van de herkenning kunnen overgaan in ‘beleven’.  Deze herkenning wordt echter streng bewaakt door het onechte-ik, omdat dit er behoefte aan heeft ruimte te houden om de krenkingen uit de kindertijd af te reageren.

De onbegrensde agressie bouwt enerzijds een sterke dam op tegen de stortvloed van opgekropte emotie, anderzijds vraagt ze om begrenzing. Begrenzing is echter geen synoniem van bestraffen. Het is zijn afweer voor onderdrukte emotie. Van ’uitleven’ naar ‘beleven’ is dus een inspannende opgave. Gruen benadrukt deze opgave als een overwinning op de angst, ‘maar van opstandigheid alleen word je nog geen mens. Het is pas een eerste stap op de lange, moeilijke en nooit eindigende weg naar het overwinnen van de angst voor de vrijheid om een eigen zelf en een menselijk hart te hebben.

 

Voor het vervolg van het echte en het onechte kind klik Hier