|
Als leren stokt...
Drs. Ard Q.A. Nieuwenbroek
Kinderen en ouders zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Met de geboorte
van een kind is er een existentieel feit: onomkeerbaar is er een kind,
voortgekomen uit deze ouder(s). Deze speciale band en verbinding kent
consequenties. Ouders en kind hebben verplichtingen aan elkaar. Een kind mag
erop rekenen dat het wordt verzorgd. Zonder die verzorging overleeft het kind
niet. Een kind wil zelf ook aan ouders geven. We spreken van een dynamiek van
geven en ontvangen. Tussen mensen bestaat zo'n dynamiek altijd. Op je werk,
in je vrije tijd, ja zelfs in de file bij het 'ritsen'. Als je geeft aan een
ander en je ontvangt systematisch minder of niets terug, dan komt de relatie
onder druk te staan. Het omgekeerde is ook waar: als je veel ontvangt van een
ander en je kunt daartoe niets of heel weinig teruggeven, dan komt de relatie
ook onder druk. Een ander probleem vormt het geen dat door de ander(en) niet
wordt opgemerkt. De gegeven inzet blijft onopgemerkt en kan niet worden
erkend. Dit erkennen is een vorm van (terug)geven.
Wanneer de dynamiek van geven en ontvangen tussen ouder(s) en kind onder druk
komt te staan heeft dat de gevolgen voor de groeipotentie van het kind. Op
existentieel niveau ontbeert zo'n kind voldoende mogelijkheden om zijn 'zelf'
te valideren. Of, zoals de filosoof De Levinas het al beschreef: "Ik
word ik in het aangezicht van de ander". Als een kind ervaart dat hij
'ertoe doet', ontstaat een proces van zelfvalidatie. Dit proces is basaal aan
het ontstaan van zelfvertrouwen, de basis van leren.
Op welke manieren kan zo'n onbalans ontstaan? Een paar voorbeelden:
Ouders die hun kinderen verwennen maken het hun kinderen vrijwel onmogelijk
om op een passende wijze terug te kunnen geven. Bij emotionele verwaarlozing
gebeurt het omgekeerde. Een kind ontbeert emotionele aandacht en zorg en
werkt constant aan mogelijkheden op het gemiste van ouders alsnog te
ontvangen. Bij ernstige affectieve verwaarlozing staakt een kind op den duur
zijn inspanningen en verhaalt het zijn aanspraak op anderen, die daaraan
nooit kunnen voldoen op existentieel niveau. Het blijft, wat derden ook
geven, hoewel belangrijk, surrogaat.
Niet gezien geven ontstaat bijvoorbeeld als kinderen op een niet-passende
wijze aan hun ouders geven in de vorm van parentificatie. Ze worden
'hulpouder'. Soms door als plaatsvervangend ouder broers/zussen op te voeden.
Maar ook door emotioneel als 'partner' beschikbaar te zijn voor vader of
moeder. Vrijwel altijd wordt deze gevende inzet door ouders niet opgemerkt en
dus niet beantwoord. Kinderen vullen met dit niet passend geven de tekorten
van het gezinssysteem. Overigens zit het 'tekort' van deze ouders vaak al in
hun eigen onbalans met hun ouder(s). Dit verklaart ook voor een deel dat deze
dynamieken in het gezin meestal niet worden opgemerkt.
Op school vallen kinderen met een verstoorde existentiële balans van geven en
ontvangen op door gestagneerd leren. Voorbeelden daarvan zijn faalangst,
concentratieproblemen, geen motivatie en het 'plotseling' staken van de
studie. De laatste kinderen zijn 'leeggegeven'. De bodem van hun zelfbeeld en
bijbehorende zelfvertrouwen is nihil. Om te kunnen en durven leren is er een
basis van zelfvalidatie noodzakelijk. Pas als ik ertoe doe is er potentieel
om te leren.
Voordat ik enkele praktijksituaties van 'niet meer kunnen leren' uitwerk is
het interessant te verkennen in hoeverre succesvol leren van een kind gezien
kan worden als een gevende daad naar de ouders. Succesvol ouderschap wordt
maatschappelijk vaak vertaald nar hoe kinderen op school functioneren. In die
zin betekent een gehaald diploma ook een cadeau voor je ouders. In het
diploma zitten elementen van geslaagd ouderschap. Op meer fundamenteler
niveau betekent een lerend kind dat dit kind ook door ouders geschonken leven
en groeipotentieel benutten. Kinderen zijn als het ware akkoord met de gift
en laten dit zien door daadwerkelijk te leren. Dit is teruggeven voor wat je
ontvangen hebt. Dat teruggeven is bijna een ethische verplichting. Als ouders
zelf, om welke reden dan ook als kind niet zijn geslaagd met 'leren', dan
wordt de hypotheek van het leren door hun kinderen bijna een 'moeten'. Dat
werkt drukverhogend en is risicovol. En om het nog complexer te maken:
niet-slagen van een kind kan op ondergrondse manier ook een ondoorgrondelijke
manier van loyaliteit naar diezelfde ouder betekenen. Zelf ook niet slagen is
een demonstratie van 'geven' aan een ouder. Het is de vraag of je als kind
succesvoller kan/mag zijn dan je ouders of de rest van de familie.
Tijd voor twee praktijkvoorbeelden van stagnerend leren, waarbij sprake is
van een onbalans tussen geven en ontvangen in de dynamiek tussen ouders en
kind.
Marieke
Marieke zit in 4 HAVO, 17 jaar, woont samen met haar moeder. Op school gaat
het heel moeilijk, want ze heeft duidelijk last van faalangst. Slaapt niet
voor proefwerken, besteedt heel veel tijd aan de studie, is daar ook heel moe
van en tijdens proefwerken lukt het toch niet. Onvoldoendes, terwijl ze het
de avond tevoren goed kende. Zoekt hulp bij haar mentor.
Wat doet de klassieke mentor in zo'n situatie? Waarschijnlijk weet deze niet
dat moeder in therapie is. De mentor gaat met Marieke praten en vraagt:
hoeveel tijd besteed je aan je huiswerk? Hoe pak jij het huiswerk aan? Hoe
begin je als je een proefwerk moet maken, wat gebeurt er dan bij jou? Hoe
voel je je dan? Geeft vervolgens de ETAV- vragenlijst, en inderdaad daaruit
blijkt dat Marieke last heeft van faalangst. Dan gaat hij mogelijk werken met
de rationele benadering: leer andere gedachten te krijgen. Of hij begint met
lichaamsontspanning.
Maar na drie weken blijkt al dat deze aanpak bij Marieke niet werkt. De
mentor verwijst vervolgens naar de leerlingbegeleider. Deze vraagt aan de meegekomen
moeder: "En hoe gaat het met u?" De vraag veronderstelt: de
leerlingbegeleider denkt dat het welbevinden van de moeder ertoe doet als het
gaat om faalangst bij het kind, dus dat daar een belangrijke drijfveer van de
faalangst kan liggen. In deze eenvoudige vraag ligt dus een mogelijke wissel
naar het andere spoor. Het antwoord luidt: "Het gaat niet goed met me.
Ik ben overwerkt en ben vorige maand met therapie begonnen." Dan vraagt
de leerlingbegeleider aan Marieke: "En, hoe is het met je vader"
Marieke antwoordt: ?Ik kom bijna niet bij mijn vader, en als ik bij hem ben
wil ik zo gauw mogelijk weg, want ik voel me er niet gemakkelijk.
Bijvoorbeeld: ik slaap bij hem de hele nacht niet in zijn huis. Mijn broer,
21 jaar, studeert in Utrecht, die is twee handen op een buik met mijn vader.
Zegt tegen moeder: stel je niet aan, ga gewoon aan het werk. Net als vader
dat zegt.
Na twee keer met moeder en Marieke te hebben gesproken (want klacht van
moeder was op een gegeven moment: mijn dochter claimt mij helemaal, ik word
benauwd van haar, klittebandrelatie, ik ben tegelijk ook de pispaal van haar)
blijkt dat Marieke op 8-jarige leeftijd , een half jaar na de scheiding, een
andere tweede (voor)naam heeft gekregen. Want het jongere zusje van moeder is
verongelukt. Toen Marieke geboren werd kreeg zij de naam van dat zusje.
Direct na de scheiding wilde vader die tweede naam veranderen
en moeder vond dat uiteindelijk ook goed, want "er is iets tussen mijn
moeder en haar familie", zegt Marieke. "Over het zusje mogen we
niet praten, en ik had het gevoel dat ik die tweede naam had om buiten de
familie te komen staan". Maar ze weet niet wat er precies met dat zusje
gebeurd is. Ze zal volgende keer met haar moeder komen en het samen hierover
hebben. Ze durft het niet alleen aan moeder te vragen want ze voelt dat het
voor haar iets heel zwaars is. "Maar er drukt iets op mij", zegt
ze, "dat voel ik".
Ze werd door de gesprekken enorm in beweging gebracht : ze praatte met haar
vader en ook met een van haar tantes (zus van moeder) . De faalangst
verminderde aanzienlijk en haar leren werd succesvol.
Wat leert ons deze casus van Marieke?
; Marieke gaf 'ongezien' en eigenlijk bijna ook 'ongeweten' iets aan haar
moeder ter vervanging van het leed dat bij haar was ontstaan rond het
overlijden van een jonger zusje. Door het geven zichtbaar te maken en moeder
de kans te geven te vertellen wat er werkelijk was gebeurd (moeder had de
schuld gekregen niet goed op te letten waardoor zusje is verongelukt!), werd
de dynamiek tussen Marieke en moeder meer in evenwicht gebracht.
; Marieke ontving nooit iets terug van moeder voor haar geven, dat zelfs
negatief werd bestempeld als 'klitteband'. De zelfvalidatie kon hiermee niet
op gang komen en faalangst vormt daar een element van.
; Vanuit de herwonnen balans met moeder kon ze 'schuldvrij' zich ook weer
gaan geven aan vader.
Zo zien we hoe twee gesprekken van een leerlingbegeleider een fundamentele
'herstart' mogelijk maakt voor Marieke in haar leren. Rationele
denktechnieken en ontspanningsoefeningen waren bij Marieke van ondergeschikt
belang en raakten niet de kern van haar gestokte leren.
Niet geslaagd leren kent uiteraard vele mogelijke achtergronden. Een
verstoring in de relationele dynamiek in geven en ontvangen tussen ouder en
kind is vaak een belangrijke bron, die al jarenlang bij leerlingen teveel
energie heeft gekost die niet is erkend, noch zichtbaar effect heeft gehad.
In het onderwijs moet meer oog zijn voor dit perspectief, wat tegelijk een
kwaliteitsvolle injectie geeft aan de verdieping van de relatie tussen
ouder(s) en school. Ouders en leerkracht zijn, ideaal-typisch, partners van
elkaar. Vanuit dat partnerschap moet de school ouders ook hun in relationele
dynamiek met hun kinderen respecteren door er aandacht aan te besteden. Meerzijdige
partijdigheid is hierbij niet alleen een grondhouding, maar tegelijk een
basisvaardigheid.
De praktijktheorie die ons hierover iets leert komt voort uit de contextuele
benadering. Grondlegger hiervan is Ivan Nagy, een Amerikaans psychiater. Van
hem is vooral het loyaliteitsbeginsel de laatste jaren in Nederland bekend
geworden. In mijn publikaties heb ik de contextuele benadering vooral
verwerkt in de recente boeken over faalangst. Het nieuwste boek(je) is in
september 2000 uitgekomen en heet: "Tienminutengesprekken met
ouders", en is bestemd voor leerkrachten in het primair en voortgezet
onderwijs. 27 september 2001 verschijnt een handboek omtrent de toepassing
van de contextuele benadering in het onderwijs. De titel luidt: "Tussen
thuis en school!". Het is vanaf dan ook op de site te bestellen.
(bron: http://www.orthoconsult.nl/Artikeloud10.html)
|